Hulpeloos

IMG_0298

 

De zon staat hoog aan de hemel. Het zand waait op zodat het stof naar binnen dwarrelt door de halfgeopende raampjes. De chauffeur raast als een gek over de hobbelige weg. Hij komt bruut tot stilstand aan wat er op het eerste zicht een verlaten dorpje uitziet. Ik en mijn zes medereizigers stappen uit de auto, gevolgd door een aantal leden van de plaatselijke scouts. We blijven even ronddralen, niet goed wetend wat te verwachten. Maar stilletjes aan komt er beweging in het dorpje. Deuren gaan open en nieuwsgierige gezichten komen voorzichtig piepen. Er leven wel mensen in deze krotten. Ik hoor een aantal kinderen ‘Mzungu! Mzungu!’ roepen. Ik weet dat het op ons bedoeld is. Na aan aantal dagen in Kigoma te zijn verbleven, ben ik het al gewend dat we worden aangestaard omdat we blank zijn in deze zwarte stad. De kinderen springen als kleine, lenige aapjes op onze ruggen en zingen liedjes voor ons in een taal die we niet verstaan.

De geur van vlees dat te lang in de zon heeft gelegen, verspreidt zich door het dorp. De scoutsleden zijn begonnen met koken. Alle kindjes zijn volop bezig de magie van magneten te ontdekken. Ondertussen trekken wij verder het dorp in om te zien wat voor leven er huist in deze ontslapen verzameling van golfplaten en kapotte stenen. Ik had me echter niet voorbereid op wat ik hier zou aantreffen. Mensen zonder handen, mensen waarvan de voeten nog slechts stompjes zijn zodat ze zich met hun handen moeten voorttrekken over de vuile grond. Blinden die een weg trachten te vinden, struikelend over de bergen afval. Ik had al foto’s gezien van leprapatiënten maar niets was zoals dit. Toch bijt ik door, ik werp een glimlach naar de mensen die ik tegenkom en je ziet ze één voor één stralen, als een prisma. Op het eerste zicht zien ze er hard en leeg uit maar als ik mijn licht op hen werp, schitteren ze. Ik zou niet durven denken dat ze nog redenen hebben om te lachen maar die regenboog laat iets anders zien.

Een oude man wenkt ons naar binnen en laat vol trots zijn huis zien. Als je het al een huis kan noemen. Thuis zou het hele dorp met de grond gelijk worden gemaakt en één of andere norse bureaucraat zou in opdracht van zijn nog norsere baas er duplexappartementen op laten zetten en ze doorverhuren aan een veel te hoge prijs. Maar hier was dit de standaard. Ze zijn oprecht trots als ze een golfplaat boven hun hoofd hebben en vier wanden die hen al dan niet afschermen tegen de hardvochtige weersomstandigheden. Het kapotte vliegennet dat boven zijn rieten matje hangt, nodigt de muggen vriendelijk uit om de man tijdens zijn slaap een bezoekje te komen brengen. Van stromend water is er geen sprake, laat staan van elektriciteit. En zelfs de muizen zullen hier geen kruimeltje eten kunnen vinden. Ik denk terug aan mijn zacht bed thuis, warm stromend water dat mijn bad vult en mijn afgeladen voorraadkast. Schuldgevoelens verspreiden zich sneller over mijn lichaam dan het zweet dat niet gestopt is met druppen sinds ik uit het vliegtuig ben gestapt. De man neemt ons mee naar buiten en vraagt ons om in een cirkel rond hem te gaan zitten. Hij veegt snel de steentjes weg zodat we ietwat zacht kunnen zitten en begint zijn verhaal vol enthousiasme en in het gebrekkig Engels te vertellen. Hij vertelt dat hij heeft meegestreden in de eerste wereldoorlog, dat hij als een dappere soldaat rond paradeerde door de loopgraven en daarna naar Afrika is afgereisd om zijn langverloren vader terug te vinden. We laten de man enthousiast vertellen en gaan helemaal mee in zijn verhaal ook al weten we dat het verzinsels zijn. Hij is oud, zijn botten kraken en hij gebruikt een afgeleefde wandelstok om zich te kunnen verplaatsen, maar zo oud kan hij nooit zijn.

Zijn verhaal wordt abrupt verstoord door een lid van de scouts die ons komt meedelen dat het tijd is om het eten te verdelen onder de dorpelingen. We komen aan op de binnenplaats en het lijkt of we Jezus zijn die Jeruzalem binnenwandelt. Rijen mensen die ons opwachten maar in plaats van met palmtakken te zwaaien, hebben ze afgedankte borden, kommen, potten of andere geïmproviseerde voedselhouders vast. Ze kijken ons aan met hongerige ogen. Het weinige eten proberen we eerlijk te verdelen onder de monden die gevoed willen worden. De verbrande resten durf ik niet te geven maar ik heb mij nog maar net omgedraaid of er zitten al 4 kleine kindjes de laatste restjes uit de pan te schrapen met hun stompe nageltjes. Verderop zie ik enkele vrouwen hun eten naar hun hutje brengen waar ze het verdelen onder hun kinderen. Zijzelf zitten erbij en kijken ernaar. Ik sta daar en kijk hulpeloos toe. Mijn tranen probeer ik in te houden, ik mag geen zwakte tonen. Niet hier, niet nu. Ik zonder me af en probeer mijn hoofd leeg te maken.

Plots hoor ik achter mij een harde knal van metaal dat klettert op de stenen. Ik draai me om en zie de oude man van daarnet op de vloer liggen, bloed stroomt uit zijn mond. Het eten dat uit zijn gamel is gespat, vormt kleine dammetjes in de rode rivier die uitmondt aan mijn voeten. Zijn stuiptrekkingen zijn zo hard dat het lijkt alsof elk moment zijn ruggenwervels kunnen breken. Ik wil naar hem toelopen maar ik voel twee handen mijn polsen grijpen. Ik kijk achterom en zie dat het leden van de scouts zijn die me proberen tegen te houden. Ik schreeuw en probeer los te breken uit hun greep maar die wordt alleen maar strakker. Ze roepen me toe dat het bloed me zal besmetten, dat ik toch niks kan doen. Maar ik moet iets doen, ik trek met alle kracht die ik in me heb maar ze zijn te sterk. Ik zie de stuiptrekkingen minderen. Ik zie dat ze er niet meer zijn. Ik zie dat hij er niet meer is.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s