Anna

Boom

De wind steekt messen in mijn longen. Ik trek mijn rits hoger dan mijn jas toelaat en baan me een weg door het hoge gras. Mijn bevroren vingers klem ik rond mijn camera. De mist vormt een blinddoek die ik moeilijk afkrijg. Ik knijp mijn ogen tot spleetjes en probeer vormen te onderscheiden. Een vlaag oranje verschijnt in mijn ooghoek. Ik pruts wat aan de knopjes van mijn camera en doe een poging om door de mist heen te dringen met mijn lens. Het oranje is verdwenen. Al struikelend probeer ik snel dichterbij te komen. Nog steeds verblind door de mist, bots ik bijna tegen een boom aan. Door mijn haast en onhandige uitwijkmanoeuvre, val ik plat op mijn buik. Mijn gezicht recht in het witte gras. Verlamd door de koude blijf ik liggen. Geritsel doet me mijn hoofd draaien. Oranje staat recht voor mij. Ik knipper minstens tien keer. Een kind met knalrood haar kijkt me met grote ogen aan.
De flits overvalt ons allebei. Het kind zet het op een lopen en ik vervloek mijn camera. De adrenaline doet me vlot recht springen maar de lange rode krullen zijn al opgeslokt door de mist. Enkel zacht geritsel dringt nog door de witte massa heen. Mijn hele lichaam staat gespannen. Het geluid wordt luider. Ik ga er recht op af. Mijn hoofd lijkt open te barsten. Warm bloed loopt over mijn nek. Het wit verandert in zwart en de koude grond omarmt me.

Ik krijg met moeite mijn ogen open. Een vage bloemengeur dringt mijn neus binnen. Mijn verkrampte spieren en de draaiingen in mijn hoofd laten het niet toe dat ik recht ga zitten. Met veel gekreun probeer ik me op mijn zij te draaien. Twee felgroene ogen zijn op mij gericht. Een jonge vrouw met rood krullend haar brengt haar hand naar mijn hoofd. Te verdoofd door de pijn laat ik haar begaan. Haar koele hand voelt goed op mijn brandende huid. Ik probeer te vragen wie ze is en waar ik ben. Maar er komt enkel gewauwel uit mijn mond. Een pijnscheut schiet door mijn nek en ik voel me terug weg glijden.

Fel zonlicht prikkelt mijn ogen. Mijn hoofd voelt minder zwaar en mijn spieren zitten losser. Ik ga rechtop zitten. Het lijkt wel op een geïmproviseerde boomhut, maar dan op de grond. Er hangen doeken in felle kleuren aan de muren en bloemen in waterflessen verspreiden een frisse geur. Naast mijn bed staat een dampende kop thee. Mijn droge keel is sterker dan mijn verstand en voorzichtig slurp ik de thee op. Mijn hoofd wordt lichter en mijn vingers worden warmer. Luid gekraak vult de kamer en in de deuropening verschijnt de onbekende vrouw. Mijn instinct zegt dat ik moet vluchten maar haar doordringende ogen houden me op mijn plaats. Met voorzichtige, sierlijke passen komt ze dichterbij. Mijn lippen bewegen maar er komt geen geluid uit. Ze laat haar koele hand rusten op mijn voorhoofd. In plaats van paniek voel ik lichte tintelingen die zich verspreiden tot in mijn vingertoppen.
‘Waar ben ik?’, fluister ik.
‘Mijn thuis.’ Haar stem klinkt zacht.
‘Maar wie ben je en wat doe ik hier? Ik was een kind aan het volgen. Ik had haar gevonden tijdens mijn wandeling en ze was helemaal alleen. Maar voor ik het wist, werd alles zwart’
‘Ik ben Anna.’
Net op dat moment komt het kind, dat was opgeslorpt door de mist, binnen. Lang krullend rood haar en groene ogen waar je niet omheen kan kijken. Ze komt met kleine pasjes dichterbij en verschuilt zich achter de lange rok van de vrouw die haar nu speels door het haar wrijft.
‘Is zij je dochter?’
‘Ja, dit is Noa.’ Ze kijkt haar met glunderende ogen aan en neemt haar op de arm.
‘En jullie wonen hier? Heb jij me gevonden of heb je enig idee wat er gebeurt is? Hoelang lig ik hier al?’
‘Je bent hier bijna een dag. En ik wil dat je kalm blijft als ik je vertel wat er gebeurd is. Het was niet de bedoeling.’
Mijn hoofd begint terug lichtjes te spinnen. Ik probeer mijn focus op haar te houden. Op haar groene ogen, haar zacht haar en haar rood gestifte lippen. De bloemengeur en haar stem stellen me op mijn gemak.
‘Ik heb je die bult bezorgd.’
Paniek begint langzaam door mijn benevelde gedachten te dringen. Ik probeer recht te staan maar de gekleurde doeken aan de muren beginnen rond te draaien. Met een plof beland ik terug in het bed.
‘Blijf alsjeblieft zitten. Je hebt rust nodig. Ik wou je geen pijn doen. Paniek nam het over en ik heb je neergeslagen voor ik wist wie je was. Laat het mij even uitleggen.’ Ze zet haar kind zachtjes neer en zegt dat ze buiten moet gaan spelen. Ondertussen probeer ik mijn lichaam in beweging te krijgen maar elk spiertje in mijn lichaam lijkt zijn kracht verloren te hebben. Het meisje huppelt naar buiten en Anna komt langs mij op het bed zitten. Haar gezicht is nu vlakbij dat van mij. Ik merk amper dat er vers bloed over mijn ruggengraat loopt. Anna veert recht en begint meteen met het stelpen van de wonde. Haar handen voelen vertrouwd aan in mijn nek.
‘Door de mist kon ik niet zien wie je was. Ik woon in deze hut samen met mijn dochtertje omdat we op de vlucht zijn voor mijn gewelddadige ex. Ik dacht dat hij ons gevonden had. En toen, het spijt me echt zo erg, heb ik je neergeslagen. Ik voel me zo schuldig. Ik heb je meteen meegenomen en zo goed mogelijk verzorgd. Sorry.’
Haar woorden dringen traag door. De soepele bewegingen van haar handen over mijn nek vertragen mijn gedachten. ‘Dat is erg om te horen. Ik had geen idee. Het doet al niet meer zoveel pijn. Voel je niet schuldig.’
Er staan tranen in haar ogen.
‘Ik ben al blij dat je me niet ontvoerd hebt. Mijn laatste adem uitblazen in een verborgen hutje is nu niet echt iets waar ik altijd van gedroomd heb.’
Haar tranen maken plaats voor een glimlach. De kuiltjes in haar wangen geven me een warm gevoel.
‘Kan ik iets voor je doen? Ik kan jou en je dochter misschien onderdak geven. Je hoeft hier niet in een hut te wonen.’
‘Dat is enorm lief van je maar ik wil niemand in gevaar brengen. Ik en mijn dochter hebben elkaar en we redden ons wel.’
‘Maar je zal me niet in gevaar brengen. Ik woon in een chalet in het bos. Niemand zal jullie daar vinden.’
‘Daar kan je nooit zeker van zijn. Ik zou er niet mee kunnen leven als er iemand ander iets overkomt door mijn schuld. Het enige wat jij nog voor mij kan doen is meegenieten van het avondmaal zodat ik toch iets in ruil kan geven voor de wonde op je hoofd.’
Ik wil haar knuffelen, zeggen dat alles oké is, dat ik wel voor hen zal zorgen. Maar de vastberadenheid in haar ogen legt me het zwijgen op.

Ik zit tegenover haar aan tafel. Een warm bord spaghetti staat uitnodigend voor mij. Noa ligt al te slapen in het bed waar ik net nog zat. Anna vertelt me haar verhaal. Hoe ze Noa heeft gekregen, hoe haar ex haar sloeg elke keer als ze hem tegensprak en hoe ze dat allemaal heeft overleefd. Zonder een hap te nemen, luister ik naar haar. Haar warme stem vult de kamer. De tijd raast voorbij en enkel Anna merkt op dat het begint te schemeren.
‘Je kunt beter naar huis gaan. Dan ben je er voor het donker is.’
Ik wil protesteren maar haar blik doet me gehoorzamen. ‘Ik kom morgen terug en dan maak ik een maaltijd voor jullie als bedankje voor je goede zorgen’
Ze glimlacht, legt me de weg naar het pad uit en geeft me een kus op mijn voorhoofd.
‘Tot morgen. Ik kijk er al naar uit.’
Ik lach schaapachtig en vertrek. De kus blijft branden.

Mijn wekker rinkelt om zeven uur stipt. Ik rek me lui uit en zap naar het ochtendnieuws. Felgroene ogen staren me aan vanuit de televisie. Ik veer rechtop en zet het volume luider.

‘Het kind is geadopteerd als baby. Er is op camerabeelden te zien dat deze vrouw het kind meeneemt. Ze heeft rood krullend haar en droeg een jeansbroek en rode trui op de dag van de ontvoering. Er zijn sterke vermoedens dat dit de biologische moeder is. Als u deze persoon gezien heeft of als u hieromtrent enige informatie heeft, gelieve dan de politie…’

Verder dringt er niks meer binnen. Ik grijp mijn jas en ren in mijn pyjamabroek naar buiten. Mijn gedachten gaan als een gek te keer. Het dikke pak sneeuw dat die nacht gevallen is, belet me niet om de hut te bereiken binnen het half uur. Zonder twijfel duw ik de deur open. Enkel het bed, de tafel en een paar stoelen staan er nog. Geen spoor van leven meer te bekennen. Enkel op de tafel wappert er nog een papiertje dat half verscholen ligt onder een steen. Ik laat me verslagen op het bed vallen. Mijn tranen laten de sorry op het papiertje vervagen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s